Nieuwsbrief van het
Wenckebach Instituut
Jaargang 2, nummer 2
maart 2006
 
Renee Stoffels: samenwerking in the picture
  Over de samenwerking tussen artsen en bijvoorbeeld verpleegkundigen of andere disciplines is al veel bekend. We weten eigenlijk maar weinig over de samenwerking tussen artsen van verschillende specialismen. Renee Stoffels filmde daarom 120 patiëntbesprekingen in multidisciplinaire teams. Ze promoveert in 2007 op dit onderwerp, een project van het UMCG en de faculteit Bedrijfskunde van de RUG.


Stoffels onderzocht hoe de complexiteit van de zorgvraag de samenwerking tussen artsen van verschillende komaf beïnvloedt. Ze zoomde daarvoor in op de patiëntbesprekingen van enkele multidisciplinaire teams. Letterlijk: ze filmde deze teams gedurende ongeveer acht weken tijdens in totaal 120 patiëntbesprekingen.

Het viel niet mee om drie teams te vinden die mee wilden werken: 'Je vraagt ook niet niks. Allereerst moet men vooraf en achteraf per patiënt een korte vragenlijst invullen. Maar vooral die camera is belastend. Die camera staat acht weken lang bij iedere patiëntbespreking aan. Je merkt overigens wel dat het went, die camera. Maar toch, zeker in het begin gedraagt men zich anders. Ik beloofde de deelnemers dan ook heilig: ik en alleen ik zie die banden en ik gebruik ze nergens anders voor. Nooit!'

Soorten complexiteit 
Om de onderzoeksvraag te beantwoorden had Stoffels een taxonomie van zorgvragen nodig.Om te weten hoe de complexiteit de samenwerking beïnvloedt, moet je eerst verschillende soorten complexiteit benoemen.

Een klein college: Stoffels onderscheidt in haar onderzoek drie soorten complexiteit om de zorgvragen onder te verdelen: componentencomplexiteit: op hoeveel verschillende medische vakgebieden doet deze zorgvraag een beroep? coördinatieve complexiteit: in hoeverre grijpen de behandelingen van de artsen op elkaar in? ambigue complexiteit: in hoeverre appelleert de zorgvraag aan verschillende normen en waarden tussen de disciplines?

Met deze driedeling kon Stoffels de complexiteit van de zorgvragen in kaart brengen. Ze geeft een voorbeeld: 'Als de componentencomplexiteit hoog is, zou je kunnen verwachten dat men elkaar meer vragen stelt. Terwijl als de coördinatieve complexiteit hoog is er meer machtstrijdjes zouden kunnen ontstaan.' Dat lijkt te kloppen. Stoffels analyseerde nog niet al het materiaal maar de eerste, voorlopige conclusie is dat het inderdaad mogelijk is om op grond van de zorgvraag de manier van samenwerken te voorspellen.

Grip 
Wat schieten we hier mee op? Stoffels: 'Als je vooraf je bewust bent van deze factoren kun je er rekening mee houden. Een deelnemer aan ons onderzoek, vertelde bijvoorbeeld dat bij de planning van de patiëntbesprekingen zij onderscheid maken tussen inkoppertjes en probleempatiënten. Ons onderzoek biedt hen meer grip op dit soort problemen. Iemand anders vertelde dat alleen al het invullen van het vragenlijstje vooraf hen bewust maakte van de mogelijke problemen in de samenwerking.'

Eind dit jaar zal het proefschrift klaar zijn. En dan? Stoffels: 'Ik zou graag verder kijken naar andere teams. Er zijn natuurlijk veel meer soorten multidisciplinair overleg. En we zouden de resultaten van dit onderzoek ook heel goed kunnen gebruiken in de onderwijsprogramma's van het Wenckebach Instituut. Daar zou ik graag over meedenken.'

Terug naar voorpagina