|
Een goede voedingstoestand is voor kinderen met kanker erg belangrijk. Esther Sulkers en Aeltsje Brinksma, onderzoekers bij het Wenckebach Instituut, doen de komende vier jaar een promotieonderzoek naar voedingsproblemen bij kinderen met kanker.
‘We hebben allebei jarenlang als kinderverpleegkundige gewerkt. Esther doet dat trouwens nog steeds. Kinderen die in een goede voedingstoestand verkeren, kunnen de zware behandeling beter aan en hebben een betere kans om te overleven. Dat is al eerder aangetoond. Maar we zagen dat voeding tijdens de therapie en het herstel problematisch kan zijn. Het is nog niet bekend wat er precies speelt op dit vlak.’
Een waanzinnige eetlust
Als gevolg van de therapie worden kinderen vaak misselijk en krijgen ze minder trek. Ook krijgen ze soms een heel andere smaak. Dan dreigt ondervoeding. Maar het omgekeerde komt ook voor: ‘Je ziet dat sommige leukemiepatiënten in een bepaalde fase van de ziekte een waanzinnige eetlust krijgen. Die eten dan bijvoorbeeld zes borden macaroni op een dag. Daardoor worden ze te dik.’

Greep
De problemen met het eten tijdens de therapie en het herstel hebben enigszins het karakter van een vicieuze cirkel. Het kind heeft moeite met eten. Dat veroorzaakt stress bij de ouders die er bovenop gaan zitten. En dat veroorzaakt vervolgens weer stress bij het kind. Al die stress maakt de problemen alleen maar groter. Een mogelijke oplossing zien Sulkers en Brinksma in het aanbieden van meer greep op het eten. ‘Zowel ouders als kinderen verliezen de controle op allerlei aspecten van het leven. In zo’n situatie gaan mensen dat compenseren. Het eten is een van de weinige situaties waar het kind en de ouders nog wel controle over kunnen uitoefenen. In de Verenigde Staten gaven onderzoekers kinderen die een behandeling ondergingen, complete roomservice. Ze mochten op ieder moment van de dag bestellen wat ze maar wilden. Zo verkregen die kinderen weer wat greep. Met succes. De voedingsintake van de kinderen verbeterde aanmerkelijk.’
Longitudinaal
Sulkers en Brinksma volgen ongeveer 100 kinderen (plus een controlegroep) gedurende een jaar. Ook die longitudinale aanpak is nieuw. Op vier momenten verzamelen Sulkers en Brinksma gegevens: direct na de diagnose en vervolgens nog driemaal, telkens na drie maanden. Ze meten dan de voedingstoestand en vragen ouders en kinderen om een vragenlijst in te vullen. Tenslotte vragen ze de ouders of het kind om driemaal gedurende drie dagen een voedingsdagboek bij te houden. ‘We brengen de voedingstoestand en de voedingsintake van kinderen tijdens de behandeling in kaart en inventariseren de factoren die daarop van invloed zijn. En we krijgen zicht op de impact die voedingsproblemen hebben op de kwaliteit van het leven. Dat is nog nooit eerder gedaan.’
|